De Fenomenologie van het Fietsen
Raymond Cuijpers
door Cole Verhoeven
foto Cole Verhoeven
Ik bezoek Raymond Cuijpers in zijn atelier in de Staatsliedenbuurt van Amsterdam om hem te interviewen over zijn nieuwe boek Bealach na Ba.
Het atelier zit in een gebouw dat in 2016 een gemeentelijk monument werd. Het in 1939 door architect L.Peters gebouwde pand huisvestte de Wodan-verffabriek en is een goed bewaard voorbeeld van functionalistische fabrieksbouw in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Inmiddels zijn er werkruimtes voor kunstenaars en vormgevers in de voormalige fabriekshal.
Raymond is schrijver, beeldend kunstenaar, uitgever en curator. In 2013 was hij mede-oprichter van The Act of Painting (TAOP), een internationaal kunstenaarscollectief. In 2021 opende hij Hybrid Cultures, een onafhankelijke kunstruimte en sinds 2023 bestaat As Uitgevers, een kleine, door Raymond opgezette uitgeverij.
Op een willekeurige dag kun je Raymond aantreffen in zijn atelier, tekenend, werkend aan sculpturen, schilderend. Net zo belangrijk is de tijd die hij spendeert aan het maken van spieramen en het opspannen en prepareren van doeken.
Vandaag maakt hij thee voor ons en druk ik op opnemen.
C: Zou je eerst iets kunnen zeggen over het zelf publiceren van een boek in vergelijking met het opsturen van een manuscript naar gevestigde uitgeverijen in Nederland?
R: Natuurlijk is het leuk om je boek uitgegeven te zien worden door een zogenaamd echte uitgeverij. Maar uitgevers zoeken naar een bepaald soort boek, een boek dat goed in de markt ligt, dat ze in een hokje kunnen stoppen, ze willen het liefst een eenduidig boek dat in een genre te vangen is. Bijvoorbeeld pure fictie, of een autobiografie, of een reisverslag… En dat is niet het soort boeken dat ik schrijf. Mijn boeken neigen ernaar al die genres met elkaar te verbinden. Daarom ben ik m’n eigen, onafhankelijke uitgeverij begonnen: As Uitgevers. Het eerst boek dat ik uitgaf was Trapas, maar nu praten we voornamelijk over mijn nieuwe boek Bealach na Ba. En dat is een mix van fictie, sport, reizen en autobiografie, niet per se een boek dat grote uitgevers in hun fonds zouden willen hebben.
C: Heb je het nu specifiek over Nederland? Ik denk dat er in feite drie boeken in Bealach na Ba zitten.
R: Ja, het zijn inderdaad drie boeken, en voor de verkoop is dat waarschijnlijk niet goed, denk ik, maar ik weet het niet. Toen ik begon met schrijven, met het werken aan wat Bealach na Ba zou worden, dacht ik totaal niet aan de verkoop of zo, je schrijft omdat je wil schrijven en niet omdat je boeken wil verkopen. Dat is een groot verschil. Ik denk ook, in het algemeen, als je het over bestsellers hebt, dan zijn het niet de beste boeken, maar wel de best verkopende boeken. Het zegt niets over kwaliteit. Ook wilde ik niks te maken hebben met het hele circus dat bij uitgeverijen hoort, de PR en zo. Het ging mij uitsluitend om het schrijven en het niet denken aan publiceren gaf me veel vrijheid. Gaandeweg het schrijven dacht ik ook dat niemand het ooit zou gaan lezen en daardoor schreef ik de dingen die je normaalgesproken nooit tegen iemand zou zeggen.
C: Dacht je ook bij Trapas dat hetgeen je schreef nooit gepubliceerd zou gaan worden?
R: Nee, dat was alleen bij Bealach na Ba zo. Ik probeerde over de echt persoonlijke dingen in gefictionaliseerde vorm te schrijven, maar de gedachte dat uiteindelijk iemand het zou gaan lezen belemmerde me dan toch weer. Dus gaf ik het idee van publiceren helemaal op. Twee jaar later, denk ik, maakte ik een fietstocht door de Schotse Highlands. Ik ging naar de Bealach na Ba, een gruwelijk steile bergpas en ik schreef een soort dagboek tijdens de tocht. Ik beschreef waar ik was, de omgeving, de natuur, het weer, hoe zwaar het was en zo, en ik wilde dat verslag gebruiken, maar ik vond het niet genoeg. Het moest meer zijn wilde het een boek worden, een ander boek dan Trapas, dat letterlijk een verslag van de opeenvolgende dagen op de fiets is. Ik was al langer bezig met twee fictieve verhalen, een ervan was de meerdaagse koers met de fietskoeriers. Ik schreef over mijn ex-collega fietskoeriers, ik paste hun karakters een klein beetje aan in het verhaal natuurlijk, maar…
C: Maar je gebruikte hun echte namen?
R: Ja, de namen zijn hetzelfde, omdat het me meer kracht gaf om over ze te schrijven, als schrijver. Als ik over Danny zou schrijven en ik zou hem Bert of zo noemen, dan zou het niet werken voor mij. Je zou kunnen zeggen, gebruik de echte namen en verander ze nadat het verhaal klaar is –
C: Ja, dat wilde ik net zeggen…
R: Maar hun namen maken hun karakters voor een groot deel. Toen ik eerder Kunstenaar op Kaalheide schreef, over mijn periode als speler van Roda JC en jonge kunstacademiestudent, gebruikte ik ook de echte namen. Bijvoorbeeld Edgar Davids. Natuurlijk hoef je hem niet echt te introduceren voor mensen die het voetbal een beetje volgen. De naam zei al genoeg over het karakter in het boek, ook de namen van de fietskoeriers, tenminste in mijn hoofd. Ik hoop dat ze in het verhaal over de meerdaagse koers ook zo naar voren komen.
Raymond Cuijpers, Bealach na Ba, 2026
C: Ik wil toch nog een even teruggaan naar Trapas, omdat ik benieuwd ben naar wat er eerst komt, het plannen en voorbereiden van de tocht of de noodzaak om weg te gaan van de situatie thuis en weer helder te worden in de natuur of… Hoe je de totstandkoming van Trapas beschrijft klinkt alsof het een verslag van de tocht moest gaan worden, zonder meer, maar was dat niet meer een verslag van een tocht die je nodig had om de situatie thuis te ontvluchten?
R: Beide. Ik fiets veel en dat maakt mijn hoofd leeg. Steeds als ik problemen heb en ik stap op de fiets, dan, na een uur of twee fietsen, zijn die problemen meestal verdwenen. Maar als je terugkomt zijn de problemen er nog, dus, het is een soort van… Fietsen is ook een soort fictie voor mij. Je gaat weg, weg van het echte leven. Je zit op de fiets en niemand stoort je. Je gedachten rennen, zijn vloeibaar. Je zou dat het wegvluchten van de situatie kunnen noemen natuurlijk. Maar ik blijf niet weg, ik kom altijd terug. Het is als mediteren. Iemand anders zou naar yoga gaan of twee uur op een bankje in het park gaan zitten of gaan slapen. Voor mij is fietsen een maner om van alle negatieve dingen af te geraken, maar ook om erover na te denken, zij het niet letterlijk. Die dingen zitten in je hoofd en ze zweven daar rond. Op een gegeven moment op de fiets, als je echt moe bent en je hebt lang met hoge intensiteit gefietst, dan beginnen natuurlijk de chemische stofjes te werken, de endorfine en zo. Dan voel je je behoorlijk goed en denk je ‘ok, ik kan al de problemen oplossen, het is geen probleem meer voor mij’. Maar dan kom je terug en ga je douchen en dan merk je dat alle problemen er nog steeds zijn en dan besef je dat het fietsen slechts een vluchten van de werkelijkheid is en niet het echte leven.
C: Ik bedoelde niet vluchten in de zin van daadwerkelijk fysiek ontsnappen aan de situatie, ik doelde meer op een tijdelijke toestand van je geest waarin je alles lijkt te vergeten.
R: Ja, en daar ben je naar op zoek. Bijvoorbeeld: als je naar het atelier gaat om te schilderen is dat ook een vorm van ontsnappen aan het echte leven en tegelijkertijd maak je dat leven intenser. Als ik een schilderij, een portret, van onze zoon maak denk ik meer aan hem dan wanneer ik dat schilderij niet maak. Ik zie zijn gezicht, en ik denk niet echt aan dat gezicht, maar als ik schilder zie ik dat zijn gezicht heel anders is dan ik het me voorstelde in mijn hoofd. Pas op het doek zie ik hoe hij echt is. En zo is het ook met schrijven, denk ik. Als je schrijft over mensen die dicht bij je staan, ben je voorzichtig, maar ook meer direct, over hoe ze echt zijn, ik bedoel, hoe ik ze echt zie. En dat zou nooit zo zijn geweest als je niet op de fiets was gestapt of als je niet dat schilderij had gemaakt of als je niet over ze had geschreven. Voor mij houden die drie dingen verband met elkaar, als het gaat om grip krijgen op mijn gezin, op mezelf. Maar de vraag was…?
C: Over de staat van vergeten. Ik wilde alleen duidelijk maken dat ik niet letterlijk vluchten bedoelde maar meer de tijdelijke staat van de geest…
R: De vraag wat er eerst komt.
C: Ja, wat komt eerst. Je zit op de vloer met je kaarten en je kompas en je bepaalt min of meer welke afstand je per dag kunt afleggen. Je plant de tocht. Komen die voorbereidingen voort uit het gevoel van“ik moet weg om na te kunnen denken en daarom ga ik deze tocht maken”? Maar misschien is dat niet eens zo belangrijk omdat…
R: Nee, normaal… Ik heb altijd al die tochten gemaakt. Soms met een vriend, Charly. Of… Ik heb ook met onze zoon die tochten gemaakt. Het is niet dat ik wegga om weg te zijn bij het gezin.
C: Of is het meer weg van de stad?
R: Vooral dat, ja. Het is de stad. En het gaat ook niet om het alleen zijn, want als ik die tochten met onze zoon had gemaakt zou het veel leuker zijn geweest natuurlijk. Maar ook minder intens misschien. Al je alleen een bikepackingtocht maakt of een trektocht door de bergen dan word je echt onderdeel van de natuur en als dan iets misgaat heeft het serieuze gevolgen. Als je je enkel breekt in de bergen en niemand is in de buurt, dan heb je een groot probleem. Dus alles is dan wel wat intenser dan wanneer je met z’n tweeën bent, of zelfs met z’n drieën.
C: Ja, er staat veel meer op het spel als je alleen bent. Ik wil nog een keer Trapas vergelijken met het nieuwe boek. Het viel me op dat je in Trapas opzettelijk veel informatie over wat er werkelijk was gebeurd had weggelaten. En volgens mij kreeg je ook feedback van sommige mensen die het boek hadden gelezen, zij misten juist die bijzondere details… Voor mij maakte juist dat niet specifieke het meer universeel voor iedereen die met een moeilijke opvoedsituatie of zelfs -strijd te maken heeft. Zij konden zelf hun eigen details wel invullen… Hoe kwam je tot het besluit om meer details te beschrijven in Bealach na Ba, specifieker te zijn ten opzichte van Trapas?
R: Trapas was met name een dagelijks verslag van de tocht, met hier en daar reflectie en beschouwing op het vaderschap en het fietsen zelf en soms een zijpad naar een ander onderwerp. Maar vooral het fietsen en het nadenken over alle dingen die door je hoofd gaan als je op de fiets zit… En over het gezin. Ik heb veel dingen weggelaten omdat ik het gezin wilde beschermen. Deze keer, in Bealach na Ba, maakte ik fictie van de thuissituatie, maar natuurlijk herkennen de gezinsleden zichzelf. Voor onze zoon zal het niet leuk zijn om te lezen, denk ik. En dat is… nog steeds een groot probleem, want het boek is er nu. Mensen lezen het, en mensen die mij kennen, weten uiteraard dat het over ons gezin gaat. Het is duidelijk dat ik dat niet geweldig vind.
foto Cole verhoeven
C: Maar dat houdt je niet tegen om met veel energie te schrijven, of wel? Voel je daar voortdurend het gewicht van op je schouders?
R: Nee, niet als ik aan het schrijven ben. Omdat ik, zoals ik eerder zei, toen ik het schreef ervan uit ging dat het nooit gepubliceerd zou gaan worden. Maar ik dacht ook, als je het niet publiceert, waarom schrijf je het dan? En toen gingen de fictieve gedeeltes een grotere rol spelen en werd het een boek. Voor mij is het boek net zo belangrijk als een schilderij of zelfs een serie schilderijen. Het is een kunstwerk op zichzelf. En daarin wil je altijd eerlijk zijn, maar je probeert ook de mensen van wie je houdt te beschermen. Bijvoorbeeld… Nu moet ik Knausgård wel noemen.
C: Ja, dat wilde ik al zeggen! Je bent een grote fan van zijn werk. En hij heeft ook de nodige kritiek gekregen op de Mijn Strijd serie, hoe intiem hij niet alleen zijn eigen leven blootgaf maar ook dat van zijn naasten. Ik was benieuwd, vooral omdat je een fan bent, zou je over het gezin geschreven willen hebben zoals Knausgård het heeft gedaan, maar heeft op de een of andere manier een vorm van mededogen of respect of een andere remming je tegengehouden? En heb je nog steeds de ambitie om zo te schrijven of denk je dat je alles goed kunt overbrengen zonder die hele intieme details?
R: Het laatste. Natuurlijk vind ik die hele serie van Knausgård te gek. Elk boek van hem eigenlijk, ook zijn recentere fictie. Misschien is zijn fictie zelfs beter dan de Mijn Strijd-serie. Het leek er voor mij op dat hij schreef… dat hij toen hij begon te schrijven dacht, ik schrijf alles op zoals het is en niets meer, maar dan moet ik helemaal eerlijk zijn. Voor mij is het makkelijk om eerlijk over mezelf te zijn, maar als er iemand anders bij betrokken is wordt het veel moeilijker. Omdat je die persoon echt kunt beschadigen en ook kan het zijn dat die persoon het helemaal niet kan waarderen en je zo de hele relatie kapot maakt.
C: En misschien heb je die persoon ook niet helemaal accuraat vastgelegd…
R: Misschien zie je het helemaal verkeerd en dan wordt het plat, en denken mensen, huh, maar zo ben ik niet. Je schrijft over mij, maar ik ben het niet. In Trapas heb ik het min of meer weggelaten, de puberteitsproblemen en zo, je wist dat er problemen waren maar welke precies, dat liet ik in het midden. Maar in Bealach na Ba probeerde ik het probleem, de problemen, wel te beschrijven, zonder letterlijk te vertellen wat er aan de hand was. Je hebt bijvoorbeeld Gabriel, de puber die in het boek een groot voetbaltalent is. Hij wordt gescout door Ajax, maar tijdens de coronapandemie gaat het helemaal mis met hem… Dus, ja, ik heb sommige feiten veranderd, maar Gabriel - die onze zoon is - zal zichzelf zeker herkennen als hij het leest. En hij zal er behoorlijk pissig om zijn.
C: Ja, misschien, misschien is hij het niet…
R: Ik probeerde er niet aan te denken. Later in het boek probeer ik het te zien vanuit zijn perspectief, aan het einde van het boek is hij degene die aan het woord is. Dat is mijn favoriete gedeelte van het hele boek, want daar wordt het voor mij literatuur. Om terug te komen op je vraag over fictie of werkelijkheid, of non-fictie, fictie is denk ik de beste vorm om de hele situatie te kunnen beschrijven, omdat het je meer vrijheid geeft om over alles te schrijven. Maar het blijft een feit dat de mensen waarover je schrijft, ook al is het in fictieve vorm, zichzelf blijven herkennen. En dat is…
C: Jammer?
R: Ja.
C: Zo is het leven.
R: En ook, misschien als hij ouder is, zal hij het beter begrijpen, denk ik. In het boek laat ik hem zeggen: “ik ga dat kaolo boek nooit lezen, omdat het veel te dik is en het gaat ook nog eens over mij”. Maar misschien over twintig jaar of zo. Het boek is er dan nog. En de betekenis van het boek verandert ook door de tijd heen, waarschijnlijk.
C: Ik wilde een quote uit een interview met de kunstenaar Theater Gates voorlezen [uit The Travel Almanac #27] over schrijven en fictie en ik wil graag weten hoe jij erover denkt. Hij zegt: “…fiction bridges the world between truth and the imagination…”. Ik herinner me dat je iets over die uitspraak te zeggen had toen ik het artikel las.
R: Nou, ik ben het er grotendeels mee eens. Maar ik denk dat fictie geen brug is, het is meer als… Ik zie het als een parallel, het is een realiteit in zichzelf. Misschien heeft het zelfs helemaal niets met de werkelijkheid te maken, maar tegelijkertijd zegt het veel over die werkelijkheid, misschien wel alles. Als je dat een brug noemt, of een overbrugging, dan ok. Maar het is geen brug. Het is een parallelle werkelijkheid, net zoals een schilderij dat is. Het werkt als een zelfstandige entiteit, zoals elk goed kunstwerk misschien. Het zegt iets over de echte wereld maar het is niet de echte wereld. Zo zou het altijd moeten zijn en als het niet zo is dan is het nep, journalistieke of politieke kunst en dat is iets waar ik niet mee bezig wil zijn. Ik denk dat je die parallelle werkelijkheid creëert en dat die als een soort droom is. Het is droomachtig. En een droom is ook, ja, je zou een droom ook een overbrugging naar het onderbewuste of het bovenbewuste kunnen noemen. Maar het bestaat als iets in zichzelf. Het is groot genoeg… Als je met iemand praat die je interviewt of met een willekeurig persoon dan wil men een link met de realiteit zien, een brug. Maar kunstenaars en schrijvers en wellicht ook musici creëren met hun instrument, door hun schilderen, door hun schrijven een andere realiteit. Dat is voor mij het belangrijkste. Niet om een brug te bouwen, maar om een nieuwe… niet een nieuwe realiteit te maken, maar een nieuw ding, een nieuwe wereld waarin in feite alles mogelijk is. Maar ook nog steeds met een hoop referenties naar de echte wereld. Bovendien wil je grip krijgen op die echte wereld, juist door een boek te schrijven of een schilderij te maken. Dus ik zie fictie, een schilderij of een muziekstuk functionerend parallel aan de echte wereld en het is het misschien wel belangrijker dan de echte wereld, omdat het die wereld condenseert, comprimeert, intensiveert. Tegelijkertijd is het minder belangrijk omdat het in wezen voor niemand iets uitmaakt of het er is of niet. Maar voor mij maakt het natuurlijk wel wat uit en voor de mensen die wel het boek lezen, naar het muziekstuk luisteren of het schilderij zien, voor hen is het belangrijk. Maar als je het niet ziet bestaat het niet. Dus het is echt iets groots voor de mensen die erbij betrokken zijn en het is niks voor mensen die niet weten dat het bestaat. Maar dat is met alles zo. Nu zijn er oorlogen gaande en allerlei politieke verschuivingen naar extreem rechts. Door alle media weet iedereen daar van, maar niet iedereen weet van het bestaan van het boek, het schilderij of de muziek. In dat opzicht is fictie dus niet het echte leven, meer een verdieping ervan, een persoonlijke verdichting.
C: Er is een wetenschappelijk term: kwantumsuperpositie, denk ik. Het gaat erover dat, als we het toepassen op fictie en op het schrijven in het algemeen, verhalen en werkelijkheden voortdurend om elkaar heen draaien en met elkaar verstrengelen om tegelijkertijd te verschijnen. Dus je vierjarige ik is…
R: Is er nog steeds.
C: Nog steeds in jou, vanwege die kwantumsuperpositie. En toen ik de drie boeken aan het lezen was... En als we de term 'fictie' even buiten beschouwing laten, zie je dat ze ook op een bepaalde manier met elkaar verweven raken en om elkaar heen slingeren. Dat was dus een interessant... 'toeval'? Het voelde alsof je probeerde kwantumsuperpositie te bereiken.
R: Ik dacht niet aan kwantumsuperpositie, maar ja, het klopt, ook al is bijvoorbeeld de fietskoerierskoers pure fictie, het blijven wel de echte personen zoals Koen, of Danny, David, Patrick, François, Corneel… Ook is het zoals het geweest had kunnen zijn. Ze zijn er en het ontwikkelt zich naar iets dat mogelijk had kunnen zijn. Of niet. Maar dat maakt in feite niets uit, want in een boek is alles mogelijk. Zoals in een film. Maar je moet altijd refereren aan de werkelijkheid. Anders is het ongeloofwaardig. Dus de echte Danny of de echte ik. Hoe was ik? Hoe zou ik geweest zijn als ik werkelijk die koers had gereden, of zelfs een professionele wielrenner was geweest? En dat start bij die drie- of vierjarige ik. Je hele leven zit erin. Alles wat je hebt gedaan, en ook… alle blessures, alle goeie dingen en de slechte dingen. Maar ik dacht niet aan de term die je noemde. Ik probeerde de verhalen bij elkaar te brengen. Als je het goed bekijkt, zijn het drie verhalen: de fietskoerierskoers, Gabriel, het voetbaltalent en zijn vriendin, en ook mijn eigen jeugd zit in het boek. En alles is met elkaar verbonden door de fietstocht in Schotland. En op de Bealach na Ba – het was echte een zware klim – zou ik in het boek een visioen hebben gekregen, of iets anders zou daar zijn gebeurd. Maar in het echt gebeurde daar natuurlijk niks. Ik was gewoon uitgeput. Of misschien is er wel iets gebeurd. In ieder geval was het voor mij een cruciaal punt, een punt waar het hele boek om draait wellicht. Ik had dat nodig om de verhalen bij elkaar te brengen, vooral om de paradigma’s te veranderen, te laten verschuiven. Op een bepaald moment in het boek fiets ik van Inverness richting Applecross. Dat is naar het westen. Maar ik schreef oostwaarts. Misschien kwam het door dat links rijden, of begonnen daar de paradigma’s al te veranderen. Alles werd omgedraaid. Ook omdat ik het vergeleek met de Ronde Hoep… Hier als je naar links gaat is het wel naar het oosten…
C: En daar…?
R: In Bealach na Ba, sorry… Zie je, we draaien het weer om. In Schotland dus, als je daar naar links gaat in het noorden, dus als je naar het noorden kijkt, dan ga je natuurlijk naar het westen. Maar hier, als je naar links gaat… omdat ik vanuit Amsterdam zuidwaarts fiets naar de Ronde Hoep, naar links gaan is naar het oosten fietsen. Dus daar verandert de boel. Maar ook in het boek, niet alleen in het boek, vooral tijdens de daadwerkelijke fietstocht werd ik aangevallen door een hoop midges.
C: Ja, die waren in het boek bijna een personage op zich.
R: Ja, omdat er miljoenen zijn. Miljarden. En ik was niet slim, want ik had geen lange broek bij me om mijn benen te beschermen. Die benen zaten na de tocht, na drie dagen al, volledig onder de midge bites. Het was knalrood, overal. Ze hebben mijn perceptie van het in de Highlands zijn danig verstoord, vervormd ook. Het zou geweldig moeten zijn om daar rond te fietsen, maar ik kon het nauwelijks nog waarderen. Ik was voortdurend bezig met het vechten tegen die midges, het was het enige waar ik aan kon denken. En toen mijn benen en (mijn brein) al zwaar aangetast waren, was ik door het mooiste gedeelte van Schotland heen… Dus heb ik grote delen van de tocht niet eens bewust meegemaakt. Toen ik begon te schrijven kwam het allemaal terug, maar in de weken na de tocht wist ik vrijwel niets meer, het was zelfs zo erg dat ik niet meer geloofde dat ik er echt geweest was. Het werd als het ware fictie, maar dat kwam puur door de midges. Ze hebben me kapotgemaakt.
foto Cole Verhoeven
C: Misschien hebben ze je teruggebracht in je lichaam?
R: Misschien. Inderdaad. Als je fietst vergeet je je lichaam, omdat het lichaam in orde is, je bent fit en je wordt fitter en fitter naarmate je langer fietst. Maar de midges, die in zwarte wolken om me heen hingen, zorgden ervoor dat ik alleen maar aan mijn benen kon denken. En de belangrijkste reden om te gaan fietsen is eigenlijk om alles te vergeten. Ook je lichaam. Het lichaam is slechts een medium dat je nodig hebt om al die gedachten die je hebt, de beelden die je ziet en de gevoelens die je hebt over te dragen aan jezelf. Je wil niet denken ‘ah, ik heb last van m’n enkel of mijn benen zijn helemaal kapot gemaakt of mijn hart klopt te snel of ik krijg niet genoeg lucht’. Op de fiets wil je dat allemaal vergeten, je wil er niet aan hoeven te denken. Je lichaam is een machine waarmee je moet werken en die moet perfect zijn. En om het perfect te krijgen moet je blijven fietsen en niet afstappen. Soms ga ik hardlopen, maar dat is helemaal anders. Je beweegt langzamer en… voor mij is het zwaarder om te doen. Je gebruikt heel andere spieren. Fietsen is meegaan met de stroom, de flow, en daarom wil ik het altijd blijven doen. Maar we hadden het over…
C: We werden afgeleid door de midges…
R: Ja, we hadden het over de Bealach na Ba waar de paradigma’s verschoven en het bij elkaar brengen van die drie verhalen… Ik ben tevreden met Bealach na Ba. Met al mijn boeken wel. Kunstenaar op Kaalheide, mijn eerste boek, was vrij eenvoudig, ik schreef gewoon op wat ik had meegemaakt als speler van Roda JC en kunstacademiestudent in Maastricht. Waarschijnlijk was het voor veel mensen een interessant boek omdat ze een inzicht kregen in de wereld van een jonge voetballer die prof wil worden, van binnenuit beschreven, door die voetballer zelf. Maar dat boek was dus vrij makkelijk om te schrijven. Later kwam Trapas, dat was ook min of meer zo’n boek, maar dan met veel meer nadenken en beschouwing, reflectie. En nu dit boek, Bealach na Ba, daarin maak ik de sprong naar fictie, naar de parallelle wereld waar we het eerder over hadden, zoals in een schilderij. Het word meer literatuur, of kunst als je het zo wil noemen. Meer dus zoals de schilderijen die ik maak. En daarom ben ik tevreden met dit nieuwe boek. Zelfs als niemand het leest, het is er. En over tien jaar kan ik erdoorheen bladeren en zeggen ‘ok’. Zo is het ook met een schilderij, het is er voor altijd, tenzij je het vernietigt natuurlijk. Dat is voor mij de belangrijkste reden om te schilderen en te schrijven, om er überhaupt aan te beginnen. Om het te behouden, te bewaren. Want je vergeet veel dingen. Als ik passages uit Trapas of Kunstenaar op Kaalheide teruglees denk ik vaak ‘oh, was het zo’. Omdat je zelf verandert en je het in het perspectief ziet van dingen die later zijn gebeurd. In Kunstenaar op Kaalheide was nog niet veel dramatisch gebeurd, alleen dat ik mijn enkel brak tijdens een wedstrijd. Toen ik Trapas schreef was er heel veel gebeurd, maar probeerde ik dat niet op straat te gooien en in dit boek nu, Bealach na Ba, probeer ik een vorm te vinden om om te kunnen gaan met alles wat voor Trapas gebeurd is. Dat maak het intenser en ook meer de moeite waard. Tegelijkertijd lost het niets op, niet de problemen die we hebben. En dat is, ja… Je zou kunnen zeggen ‘waarom heb je dat boek geschreven en je zoon zelfs een stem gegeven? Je zou beter met hem kunnen praten en daar al je energie in stoppen’.
Zelfportret, Raymond Cuijpers, 2025
C: Ja, ik wilde daar later een vraag over gaan stellen… Als je zou moeten kiezen tussen schrijven en praten…
R: Schrijven. Omdat het makkelijker is. Het is, zoals ik eerder zei, een parallelle wereld waar je instapt. Zoals naar je atelier gaan. Als ik de hele dag in het atelier ben, vergeet ik dat het in het centrum van Amsterdam zit. Ik vergeet de stomme buren. Alleen niet als een buurvrouw aan de deur klopt om te vragen of de muziek wat zachter kan. En dat irriteert me mateloos omdat het je uit de wereld haalt waar je in wil zijn en sowieso, praten is de echte wereld. Ook dit interview nu, we nemen het op en later zullen mensen het misschien lezen… Als we het bijvoorbeeld per e-mail hadden gedaan zou het veel makkelijker zijn geweest.
C: Oh?
R: Omdat je dan kunt bedenken ‘oh, dit en dat ga ik zeggen’ en dan wordt het weer fictie. Dit interview nu is meta, maar het is toch niet de echte wereld. Praten met je zoon is echt. Voor mij is dat moeilijk. Omdat… Waarom vind ik het zo moeilijk?
C: Nou, mijn vraag ging eigenlijk niet zozeer over schrijven en praten in het algemeen maar specifiek schrijven aan onze zoon en praten met onze zoon. Zou je liever over hem schrijven, aan hem schrijven of schrijven over de situatie dan met hem praten? Ik krijg de indruk dat je schrijven zou kiezen.
R: Ik had het idee om in het volgende boek, maar dat is al eerder gedaan, een lange brief aan hem te schrijven. Natuurlijk denk ik niet dat ik de eerste ben die dat doet, maar ik ben wel de eerste die zo’n brief aan onze zoon schrijft. Dat zou dan een directe connectie met hem betekenen. Schrijven zoals ik het nu heb gedaan, fictie van hem maken, is makkelijk, nee niet makkelijk, maar het heeft… als hij het niet leest heeft het geen effect op hem. Als hij het uiteindelijk toch leest, wel misschien. Maar hij weet niet dat het bestaat. Hij denkt ‘ja man, er is dat boek, dik 600 pagina’s en ik kom erin voor, dat ga ik dus echt niet lezen’. Maar waarschijnlijk zal hij het over een hele tijd wel lezen.
C: Maar als hij het niet leest en het heeft geen effect op hem, wat jij zegt, dan heeft hij ook niet de kans om er met jou over te praten. Denk je niet?
R: Ja , dat klopt, hij heeft… Ik heb hem ook niet gevraagd of hij een personage in het boek wil zijn, ik heb dat bij niemand gedaan. Dus, ja, als het ze lezen dan kunnen ze erop reageren en dan moet ik me verantwoorden, en dat is de echte wereld. Natuurlijk zou ik twee dingen kunnen doen: praten met onze zoon en zeggen ‘hey, dit boek moet je echt lezen want ik schrijf in het boek over jou, over hoe ik je zie en hoe je mij ziet, maar misschien zie ik het helemaal verkeerd en dan kun je me zeggen hoe het echt in elkaar zit’ of ik kan hem een brief schrijven en dat zou niet eens een boek hoeven te zijn.
C: Een brief van 900 kantjes?
R: Juist! Dus ja, ik denk, om terug te gaan naar Knausgård, iedere schrijver schrijft over zichzelf en moet daarbij ook over de mensen om hem heen schrijven. De mensen de het dichtstbij je staan is je gezin, als je een gezin hebt. En dat schrijven heeft hoe dan ook gevolgen voor hen. Je kunt zeggen, je bent geen Knausgård, geen beroemde schrijver, niet eens bekend, maar hij was dat ook niet toen hij begon te schrijven. Hij probeerde helemaal eerlijk te zijn, hij zei ‘dit is mijn leven en dit is hoe ik erover schrijf’. Daarna werd hij echt een groot schrijver. En nu schrijft hij nooit meer direct over zijn gezin of zijn familie. Ik denk dat daar ook iets is gebeurd.
C: Een paar breuken in de huiselijke sfeer…
R: Maar het is logisch, want je wil je gezin beschermen en je wil... ja, je relatie redden en die niet zomaar op straat gooien.
C: Ik wilde naar iets anders gaan… of wilde je meer hierover zeggen?
R: Ik wil niemand beschadigen of kwetsen. Maar het is makkelijk om over Danny te schrijven, mijn ex-baas bij het fietskoeriersbedrijf, omdat ik hem waarschijnlijk nooit meer ga zien.
C: Ben je niet bang dat hij je op een dag een pak slaag komt geven?
R: Nee, het is eigenlijk wel grappig, als ie weer eens een uitbarsting had en we hoorden hem briesen door de portofoon, dan lachten we erom. Maar over Gabriel schrijven is anders… En ook Grace. Dat zijn jij en onze zoon in het boek. Fictie lost het niet op, want jullie herkennen jezelf. Het zou goed zijn als het volledig fictie werd, zonder enige referentie aan autobiografische elementen. Maar voor mij is dat bijna onmogelijk. Omdat je dan iets aan het verzinnen bent, dan wordt het pure verbeelding, de overbrugging van werkelijkheid naar verbeelding. Fictie, zoals Theaster Gates het omschreef. Voor mij gaat het daar niet om. Het is als de volgende… Het is als een stap in een andere laag van de werkelijkheid. En weet je, je hebt Rudy Klomp met zijn pararealisme en z’n memenveld, en iedereen zegt dat ie gek is, maar er is een zekere, andere laag in het leven die men kan voelen en als je ervoor open staat kun je ermee in contact raken.
C: Zeker.
R: Het moeilijk om er helemaal voor open te staan want je denkt ‘wacht even, ik ken dit niet, ik wil dit eigenlijk niet’. Dat is ook waarom ik aan de droom refereer. In dromen heb je geen remmingen, geen restricties. Je zegt niet ‘wat nu gebeurt is onmogelijk’. Je ondergaat het gewoon. Je onderbewustzijn is aan het werk en niets anders. Dus je staat open voor je eigen bewustzijn zonder te zeggen ‘dit is onmogelijk’ of ‘dit is niet goed, nu, hier, op dit moment’. Voor mij is de droom… Ik hoop dat ik de droom zodanig kan schrijven dat het de realiteit wordt. En in 600 pagina’s is dat misschien maar in één of twee zinnen het geval. Maar hoe kwamen we hier?
C: Het is ok. Ik wilde omschakelen naar iets anders: de Franse filosoof Merleau-Ponty, zijn werk, zijn denken, zijn gedachtegoed, daar voel je je erg mee verbonden. Wanneer heb je die connectie ontdekt. Want hij is aanwezig in al je landschappen met jouzelf als wielrenner op de rug gezien, jullie zijn in feite steeds met z’n drieën…
R: Hij is er altijd. Het is grappig, een leraar op de academie, we spreken nu over de jaren negentig toen ik nog voetbalde bij Roda JC en ik tegelijkertijd de kunstacademie deed, hij gaf ons stencils, hij kopieerde hele stukken uit boeken van Goethe en zo, maar ook van Merleau-Ponty. En ik probeerde die te lezen, nam ze mee in de spelersbus op weg naar een uitwedstrijd. Ik las die stencils van Merleau-Ponty terwijl ploeggenoten een vechtfilm met Jean Claude Van Damme zaten te kijken. Maar niets van wat ik las drong tot me door. Maar ik bewaarde die stencils, en later, misschien zelfs twintig jaar later of zelfs nog later, toen we begonnen met The Act of Painting, kocht ik een dun boekje dat min of meer een samenvatting was van Ponty’s De Fenomenologie van de Waarneming. Toen ik dat las werd alles duidelijk. Ik begreep dat als je beweegt in een omgeving je tegelijkertijd beschouwer en onderdeel van die omgeving bent en door te bewegen verander je als het ware die omgeving, je perceptie verandert omdat je in beweging bent. Dat klonk heel logisch en toen ik de stencils nog eens goed bekeek zag ik het ook daarin beschreven. De leraar vergeleek het destijds met schilderen, als je schildert en je beweegt met je kwast in het schilderij, dan verandert het schilderij en ook je perceptie van het schilderij. Je zou kunnen zeggen dat in het schilderij zijn hetzelfde is als op de fiets in een landschap zijn. Het klinkt nu allemaal logisch maar toentertijd kon ik er geen grip krijgen. Maar ik had het zelfs met voetbal kunnen vergelijken. Als je beweegt op het veld ben je daadwerkelijk Merleau-Ponty’s filosofie aan het uitvoeren.
C: Je brengt het met je lichaam in de praktijk.
R: Ja, en hij heeft het opgeschreven in een boek dat meer dan 1000 pagina’s telt, en eigenlijk heb ik dat boek nooit helemaal gelezen, ik las er stukken uit, dat wat ik kon gebruiken heb ik onthouden. Ik gebruik het nog steeds, om mijn eigen schilderijen te begrijpen misschien, om erover te kunnen praten. Vooral bij de abstracte werken, want daarover valt eigenlijk niet heel veel te zeggen… Natuurlijk gaat abstract schilderen over de beweging, het licht, de verf zelf, de textuur en zo, lagen. Ja, maar dat betekent niets meer.
C: Daar ben ik het niet mee eens.
R: Oh…
Sustenpass (Rückenfigur), Raymond Cuijpers, 2026
C: Maar het is niet mijn interview. Het is grappig dat je het abstracte noemt want ik voel de connectie met Ponty als ik de doeken zie die je maakt als je terugkomt van een fietstocht, met jezelf in een landschap, en ik heb het gevoel dat er drie mensen zijn. Je hebt het filosofische denken van Ponty en hemzelf en je hebt jou en het landschap. En de serie wordt een voortdurend veranderend filosofisch landschap. Die hele serie doeken laat dat zien.
R: Ja, dat klopt. In die hele serie zit de voortdurend veranderende perceptie als je door een landschap fietst. Maar het abstracte is wat je ziet als op de fiets bent, je ziet jezelf niet, zeker niet vanachter…
C: Tenzij…
R: Tenzij je aan het mediteren bent of uit je zelf stijgt. Maar dat is nooit het geval, denk ik….
C: Voor jou.
R: Ja, niet voor mij. Ik zie mezelf niet. Je ziet het landschap en jezelf. Zoals ik al zei, je probeert jezelf te vergeten, je lichaam en alles eromheen, zodat je een pure beschouwer wordt. En daar heeft Merleau-Ponty het over. De manier waarop je dingen ziet of waarneemt, dat is hoe de dingen zijn. Ook in mijn boek, daarom heb ik daar oost en west door elkaar gehaald, omdat in het boek het landschap beweegt en niet de fietser. Dus als je naar het westen fietst beweegt het landschap oostwaarts. En als je schildert… Voor mij is abstractie alleen niet meer genoeg, daar kun je over discussiëren, maar dat is waarom ik de fietser, de renner, in die abstractie schilder, meestal op de rug gezien. Zoals het schilderij van Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer, de man die op een bergtop staat, uitkijkend over een mistig berglandschap. Iemand op de rug gezien in een schilderij heet Rückenfigur, rugfiguur zou je kunnen zeggen. Door die figuur daar te schilderen, of de renner in het landschap, kijk je met die figuur mee naar het landschap waar hij doorheen beweegt. Als je dat niet doet… Ik heb ook abstracte doeken gemaakt en doeken waar een slingerende weg door die abstractie loopt, dus zonder fietser, maar die zijn niet zo aantrekkelijk als de doeken waar de fietser wel aanwezig is. Je wil op de een of ander manier de menselijk maat zien. Wat ik wil laten zien in die schilderijen, en misschien ook in het boek, is hoe klein je bent in het landschap, in de natuur, in de bergen. Maar tegelijkertijd voel je je erg groot. Omdat je naar de berg, de col toe fietst en binnen een, twee uur ben je boven, dan heb je de berg bedwongen. Als ik de kleine fietser niet zou schilderen, dan zou je zien wat ik zag op de berg, maar voor iemand anders zou dat nooit zoveel betekenis hebben als het voor mij had. Dus door die kleine fietser te schilderen, of de staande figuur in dit schilderij hier [wijst naar groot doek dat tegen de wand staat]… Als die figuur er niet zou staan, wat voor een schilderij zou het dan zijn? Slechts een vorm van abstractie… Ik ben begonnen als een abstracte schilder, maar op een gegeven moment was ik alleen maar gebaren aan het maken met de kwast. In die tijd, in de jaren 10 van deze eeuw werd de term Zombie Abstraction gemunt, doelend op de lege abstractie die op dat moment hip was. Ik dacht toen, maar ik doe dat ook, en ik ben geen zombie. Toen ben ik dingen beginnen toevoegen aan de schilderijen. Eerst letterlijk, bijvoorbeeld speelgoed van onze zoon, en later schilderde ik figuren in de doeken. De schilderijen kregen voor mij zo een extra laag. Het realisme werd toegevoegd aan de abstractie maar tegelijkertijd waren die doeken meer fictie dan de abstracte werken. Maar Merleau-Ponty is altijd aanwezig geweest in mijn werk. Het begon in de spelersbus op weg naar een uitwedstrijd, maar ik heb altijd naar hem teruggegrepen, al heb ik het gevoel dat ik hem pas een jaar of tien geleden een beetje begon te begrijpen, misschien maar een procent van zijn hele filosofie. Ik blijf het echter gebruiken omdat ik het kan toepassen op vrijwel alles wat ik doe. Zijn filosofie is een soort levensregel voor mij. Als je stilzit gebeurt er niets, althans niet voor mij. Pas als ik begin te bewegen begint er iets te gebeuren, de dingen komen in beweging en je komt in een droomachtige werkelijkheid terecht en die kan ik nooit bereiken als ik niet in beweging ben. Voor mij is dus de fysieke inspanning belangrijk en in het schilderij is dat ook zo. Ik zou nooit fotorealistisch kunnen schilderen of zelfs niet zoals Robert Ryman die repetitieve witte doeken kunnen maken. Ik heb dat wel gedaan toen ik jonger was. Maar dat was meer als een oefening, denk ik. Tijdens het schilderen, en dat geldt ook voor het schrijven, de dingen beginnen pas te gebeuren terwijl bezig bent. Dat is ook de filosofie van The Act of Painting [het kunstenaarscollectief dat Raymond samen met Jeroen Hofhuizen oprichtte, zijn maat van de kunstacademie in Maastricht]. Je ziet pas wat je aan het doen bent als je het daadwerkelijk doet, dus in het maken ligt het weten opgesloten. Zo is het ook met schrijven, vooral met het eerste deel, de koers voor fietskoeriers, was het zo. Soms schreef ik maar één zin, in het midden van de nacht als iedereen sliep. Ik dacht ‘zo kost het me tien jaar om dit verhaal af te maken’, maar door slechts één zin te schrijven, wordt die zin echt belangrijk. Zelfs een banale zin als “ik lig in bed”. Het is de beste zin die je op dat moment kunt schrijven. En al die zinnen bij elkaar, soms een alinea, soms twee pagina’s hebben de dichtheid gekregen van het niet precies weten waar je heen gaat. In het boek is het Danny, mijn ex-baas bij het koeriersbedrijf, die overlijdt na een val. Maar dat wist ik niet toen ik begon te schrijven, ik wist niet dat dat zou gaan gebeuren.
C: Zo raak ik van hem af!
[R lacht]
R: Nee, nee, het gebeurde gewoon, het ontwikkelde zich zo tijdens het schrijven. En dat is het interessante aan fictie. Je weet niet waar het heengaat en zo is het ook met schilderen. Je weet niet precies wat je aan het doen bent voordat je het daadwerkelijk aan het doen bent.
Bealach na Ba IV, raymond cuijpers 2025
C: Even terug naar iets anders… Ik heb soms het gevoel dat men van kunst en andere media antwoorden en oplossingen verwacht voor de problemen in de wereld, het moet de wereld redden. Dit terwijl we als kunstenaars onszelf nauwelijks kunnen redden met ons werk. We kunnen die grote verantwoordelijkheid om de wereld ten goede te veranderen niet dragen. Je zei dat er niets veranderd is steeds als je terugkomt van een fietstocht. Daar wilde ik het over hebben, want het idee was om weg te gaan, om helderheid te krijgen en dingen te verwerken, en dat weer mee terug te nemen. Want je komt weer terug. Maar je zegt dat er niets verandert. Ik bedoel, je hebt geen verandering teweeggebracht, in je denken, hoe je je voelt, de situatie ziet of zou kunnen verbeteren.
R: Nee… Dat klopt. Ik denk omdat, zoals ik zei, het is een parallelle wereld waarin je je als kunstenaar of als schrijver begeeft en soms kunnen andere mensen erin mee gaan, als ze het schilderij zien of het boek lezen of naar… Het is met alle kunstvormen zo, muziek verandert ook niets. Ik wil ook niets veranderen… nou, bij ons gezin wel, denk ik. Ik zou willen dat ik goed met onze zoon zou kunnen praten, maar ik heb niet het gevoel dat ik oorlogen kan stoppen of de wereld kan verbeteren. Omdat ik ook denk dat het nooit geval kan zijn, en het is ook niet het doel van kunst.
C: Maar soms heb ik het gevoel dat er die druk is om de paradigma’s te veranderen.
R: Ja, je hebt ook veel kunstenaars, op alle kunstacademies gaat het nu over Palestina…
C: Ja, politiek…
R: Maar ik denk dat kunst, voor mij, geen wapen is. Het is geen politiek middel. En dat moet ook niet, dat zou eigenlijk niet moeten, want dan wordt het weer onderdeel van de werkelijkheid en dat is waar ik van weg wil blijven. En dat is misschien het ouderwetse, romantische idee van een 53-jarige schilder, maar ik heb niet de illusie dat kunst of literatuur de wereldproblemen kan oplossen.
C: Mijn vraag ging vooral over het interpersoonlijke: een boek kan je persoonlijk veranderen, kan mij persoonlijk veranderen. Soms doet een filosofie dat en soms herken je jezelf gewoon in een werk.
R: Bedoel je wanneer je een boek leest?
C: Ja, als je een boek leest.
R: Ik heb dat wel met de boeken van Knausgård. Ik lees ze graag, maar ze veranderen me denk ik niet. Het enige is, ok, je kunt net zo goed schrijven over een koffiekopje als over de oorlog in Palestina, het gaat dan meer over stijl, de manier van schrijven. Maar hoe ik denk over de dingen verandert het niet echt. Je denkt ‘zo zie ik de dingen ook’. Je voelt een verwantschap met de schrijver, of met de schilder, maar je verandert niet echt, omdat, zoals we eerder zeiden, alles is er al min of meer vanaf je vroegste jeugd, je ontwikkelt dingen, maar die ik van toen die is er nog steeds, die zal er ook altijd blijven. Ik zie het vooral andersom, het lezen van Knausgård bijvoorbeeld, verandert me niet maar het past in mijn wereld, ik adopteer het of ik pas het aan aan mijn wereld.
C: Ik had het eerder niet over politiek. Ik bedoelde dat als je een tocht maakt en een groot deel van de reden om die tocht te maken is om wellicht grip te kunnen krijgen op een drama dat zich heeft afgespeeld of een trauma dat je hebt opgelopen, werkt die tocht dan op die manier voor jou?
R: Ik ben erachter gekomen dat het niet zo werkt voor mij. Omdat… ik niet ben veranderd door die tochten, ze zouden mijn persoonlijkheid hebben moeten veranderen of wie ik ben. En dat is niet zo. Ik maak die tochten omdat het in mijn natuur ligt, ik houd ervan om… de eenzaamheid… Ik zoek het alleen zijn op. Ik wil niet zeggen dat ik vastzit in mezelf, ik verander natuurlijk voortdurend, maar dat komt denk ik niet door die fietstochten of door er een boek over te schrijven. Je bewustzijn groeit wel, je beseft dat je faalt in sommige dingen die bij het vaderschap horen bijvoorbeeld. Je kunt zeggen ‘als je dat inziet, waarom onderneem je dan geen actie om er iets aan te doen’. Dat zou een stap zijn, maar die ligt buiten de kunst.
C: Even over mezelf, we kunnen dit schrappen… Maar als ik aan het tekenen ben, hier in het atelier, dan ben ik aan zingen aan het denken en als ik zing dan denk ik aan iets dat ik zou willen schilderen. Steeds als ik het ene doe denk ik aan het andere. Ik vroeg me af of je soms ook dat gevoel hebt? Denk je bijvoorbeeld aan fietsen als je schildert of denk je aan een schilderij als je op de fiets zit?
R: Nee, dat heb ik niet meer. Ik had het wel nog toen ik voetballer was. Destijds bij Roda speelde ik ook min of meer de kunstenaar op het veld, denkend ‘ach, het maakt niets uit…’
C: Nonchalant
R: Ja, nonchalant. Flegmatiek eigenlijk. En dat is een totaal verkeerde houding als je profvoetballer wil worden. Op de academie, in de grote zaal waar we schilderden, was ik juist hard voor mezelf en medestudenten. Ik was er steeds al om acht uur ’s ochtends, de rest kwam pas om 12 uur of zo aanzetten. Dus op de academie was ik de voetballer…
C: Met de sportdiscipline…
R: Ja, en de kunstenaar op het voetbalveld. Later zag ik in dat dat geen goeie houding is. Dus nu, als ik schilder schilder ik. Ik denk ‘dit wordt het beste schilderij van de wereld en ik ben het aan het maken’. Als ik schrijf schrijf ik. Als ik fiets ben ik aan het fietsen en wordt alles vloeibaar. Maar nog steeds zit ik op de fiets en wil ik niets anders doen dan fietsen. Ik denk niet ‘ah, dit is een fantastisch idee voor een schilderij’. Nooit. Je denk er niet zo over na. Dat is voor mij het goeie aan fietsen. Je denkt niet specifiek aan een ding, alles verschijnt in je hoofd. Het komt en het verdwijnt en het komt terug, misschien worden de dingen geordend of zo. Dingen worden gestructureerd zonder dat je er bewust over nadenkt. Of misschien is het ook een vluchten door te zeggen ‘ik ben nu hier en de rest maakt niets uit’.
C: Ik herken wel het gegeven dat alles tegelijk in je hoofd verschijnt, zoals het denken aan een tekst voor een nummer en tegelijkertijd weten dat die beter zou werken als een titel voor een schilderij of een idee… Misschien formuleerde ik het niet goed.
R: Ja, maar het zou ook totaal verkeerd zijn om te gaan fietsen en te denken ‘ik heb een probleem, dus nu ga ik over dat probleem nadenken en als ik klaar ben met fietsen is het probleem opgelost’. Dat zou de fietstocht waardeloos maken.
C: Nee, niet per se vooraf, maar onderweg… je hebt zoveel tijd alleen met je gedachten, dat het misschien vanzelf…
foto Cole verhoeven
R: Het hangt er ook vanaf waar je fietst. Daarom houd ik zo van de bergen. Die zijn zo overweldigend dat je nergens anders aan kunt denken. Vooral als je bergop fietst, naar een col toe. Het vaak zo zwaar dat je… Je hebt al je energie nodig om boven te komen. Soms maak ik korte filmpjes, wat ik eigenlijk niet zou moeten doen, want ze leiden je af van de meditatie waarin je zit als je een beklimming doet. Maar ik maak ze om aan het gezin te kunnen laten zien, aan vrienden ook en het stomme Instagram waar ik ook op zit. Die filmpjes leiden je af, verstoren de meditatie, net zoals je uit je schilderij bent als de buurvrouw aan de deur klopt om te zeggen dat de muziek te hard staat. Of als je aan het schrijven bent en je hoort de bovenburen het toilet doorspoelen. Dan denk je ‘ik ben er niet meer’. In de bergen. En je wil het gevoel behouden, niet per se daar blijven natuurlijk, maar je wil de bergtop, de col, bereiken en je wil het schilderij afmaken of het boek. En als je uit de meditatie bent dan kom je er niet snel meer in.
C: Dus als je ervan uit gaat dat de problemen in de twee boeken op dit terrein, het fietsen in de bergen, niet zijn opgelost wat wordt dan het derde boek? Want het begint op een serie te lijken, al weet ik niet of je ze als een serie in gedachten hebt…
R: Het is een serie.
C: Ok.
R: Je zou Trapas de proloog kunnen noemen en Bealach na Ba het eerste deel van een lange reeks boeken. Want steeds als ik een meerdaagse fietstocht maak… Nee, de fietstocht is de eerste stap in het schrijven van het boek en ik wil die tochten blijven maken. En ook hebben de verhalen in Bealach na Ba nog geen echt einde. Bijvoorbeeld de koers van de fietskoeriers eindigt bij de dood van Danny…
C: Wil je dat nu wel weggeven?
R: Niemand gaat het boek toch lezen…
C: Ok, goed. Dus ik denk dat de vraag nu is: waar gaan de verhalen heen, wat ben je in kaart aan het brengen, wat zijn je plannen?
R: Ja, er zal dus een vervolg komen op het fietskoeriersverhaal. Gaan we de koers winnen? Of niet? Stoppen we? En wat gebeurt er daarna dan? Ik heb het boek aan sommige ex-collega fietskoeriers gegeven en misschien zullen ze het lezen en denken ‘hm, best een grappig verhaal, maar zo ben ik niet’. Dus dan gaat de werkelijkheid een rol spelen. En dan is er Gabriel, het talent dat gestopt is met voetballen, maar hij heeft zijn oude trainer benaderd, dus hij zou weer kunnen beginnen en alsnog het contract bij Ajax kunnen gaan tekenen. En het meest autobiografisch stuk, over mijn jeugd in Neerbeek, stopt toen ik 15 was, en daarna is er veel gebeurd. Natuurlijk heb ik al over de periode 16 tot 20 jaar geschreven in Kunstenaar op Kaalheide, maar de laatste twee jaar op de kunstacademie in Maastricht en de verhuizing naar Amsterdam om de Rijksakademie te gaan doen zijn denk ik ook interessant. Zoals ik al zei, mijn favoriete gedeelte van Bealach na Ba zijn de laatste pakweg tien pagina’s waar ik Gabriel aan het woord laat, in mijn hoofd, dat hij met me meefietst en commentaar op mij geeft terwijl hij in feite thuis op z’n kamer zit. Daar wil ik op doorgaan. Het beste zou zijn als het dan volledig fictie gaat worden. Maar dat kan ik nog niet, denk ik.
C: Vermengd met een fietstocht?
R: Misschien. Of misschien zelfs alleen maar fictie. Je kunt ook zeggen ‘waarom schrijf je geen exact verslag van een fietstocht, gewoon dag voor dag?’ Dat zou dan een boek zijn dat wel een in een hokje past, en daar ligt toch niet mijn voorkeur. Dus ik weet het nog niet. Ik schrijf nu over de tocht in Zwitserland. Een jaar na de tocht in Schotland maakte ik een tocht in de Zwitserse Alpen en die waren zoveel imposanter. Het echte hooggebergte. Dus…
C: Ok, een andere vraag, misschien de laatste twee vragen. In 2019 of 2020 zagen we in Rialto de film The Wild Pear Tree, van de Turkse regisseur Nuri Bilge Ceylan. De protagonist is Sinan, een jonge man, een net afgestudeerde schrijver. Destijds moesten we lachen om hoe hij het boek waaraan hij werkte omschreef. Hij noemde het een autofictieve metaroman. Nu is het 2026 en als je een genre zou moeten noemen waarin jouw boeken passen is het dat, de autofictieve metaroman. Toen was het min of meer een grap, maar nu is het echt serieus geworden, of tenminste waar.
R: Ja, misschien is het daar wel begonnen. Destijds was ik uiteraard ook al aan het schrijven, maar ik had nog geen nieuw boek gepubliceerd. En wat ik schrijf is altijd op de een of ander manier autobiografisch, het gaat over mijn leven en wat ik doe en daar reflecteer ik weer op, dus dat is het meta-gedeelte. En nu heb ik er fictie aan toegevoegd, dus met recht kun je Bealach na Ba een autofictieve metaroman noemen. En ik vind dat ook verreweg de interessantste boeken. Als het echt alleen maar fictie is, vind ik het lastig om erin mee te gaan en als het puur autobiografisch is dan denk ik ‘ik moet dan wel de persoon ok vinden’…
C: Voordat je het gaat lezen…
R: Ja. Dus het combineren van fictie en autobiografie en het reflecteren erop vind ik veel interessanter. Als je denkt aan schrijvers die dat gedaan hebben, zoals Knausgård. Ik kom altijd weer op Knausgård uit, maar ik moet andere schrijvers ook noemen. Fosse misschien. Maar dat is Knausgårds grote leermeester. De Scandinavische schrijvers. Noren. Op dit moment lees ik Hoe het groeide van Knut Hamsun en dat boek heeft hetzelfde gevoel. Dus ik denk dat ik van de Scandinavische schrijfstijl houd… En waarschijnlijk ook van de Scandinavische schilders. Edvard Munch schilderde ook over zijn eigen leven. En de Deen Per Kirkeby op een abstracte manier. Maar Munch schilderde zijn persoonlijke emoties, verdriet, jaloezie, angst, onrust, melancholie. En je kunt, denk ik, ook alleen over je eigen emoties schilderen of schrijven, omdat jij die alleen kunt voelen zoals jij ze voelt. De Schreeuw of Melancholie zijn doeken die uit Munchs eigen emotie voortkomen, heel persoonlijk maar tegelijkertijd super universeel. Toen ik mijn allereerste boek publiceerde, Wat Denk Je Als Je Duits Spreekt/ Do You Like to Talk Turkey, een experimenteel boek dat uit louter vragen bestaat die ik mezelf stelde, de titel klinkt als een grap maar de vragen waren behoorlijk serieus, ik zei toen dat het meest persoonlijke ook het meest universele is. En het is ook het eerlijkst. Ik denk dat ik de gevoelens van andere personages in het boek niet zo goed kan beschrijven als die van mezelf. Bijvoorbeeld mijn oud-collega fietskoeriers, die personages in het boek zijn, je kunt ze wat vlak noemen, zonder echte emoties en zo en dat klopt misschien ook wel want ik beschrijf ze vanuit mijn perspectief.
C: Hun innerlijkheid…
R: Ja, hun innerlijkheid. Misschien is dat ook iets voor mij om aan te werken, als schrijver en in het echte leven, om dieper in te gaan op de innerlijke gevoelens van andere mensen. Als dat lukt dan kun je ook echte fictie schrijven, zoals de Russische schrijvers in de negentiende eeuw, Dostojewski, Tolstoj, Tsjechov, Toergenjev. Dat waren toch wel mijn grote voorbeelden toen ik jonger was. Maar nu, in de fase waarin ik zit, moet ik mezelf als referentie nemen. Want wat ik voelde en mijn emoties kan ik wel aardig beschrijven, denk ik. Waar ik andermans emoties vanuit mijn perspectief zie. Ik herken ze wel, maar ze goed omschrijven is iets anders. Bijvoorbeeld laatst voor een tentoonstelling moest ik iets vertellen over de schilderijen. Het was een soort mini-retrospectief, en er zat ook een portret van de voetballer Nando Rafael bij dat ik in 2007 maakte. Ik was toen trainer bij Zeeburgia, in mijn team zaten vooral jongens uit Zuidoost, van Surinaamse en Afrikaanse afkomst. Steeds als we buiten Amsterdam moesten spelen werden we echt racistisch bejegend. Natuurlijk kwam ik voor mijn spelers op. Ik overwoog soms zelfs om van het veld te lopen met z’n allen. Maar ik kon nooit precies voelen wat mijn spelers voelden en ook de ouders van de jongens…
C: De vernedering…
R: De vernedering inderdaad. Ik kon die niet voelen zoals zij het voelden. En dit is een duidelijk voorbeeld maar je zou het ook kunnen projecteren op personages in het boek.
C: Ik denk niet dat het voor jou mogelijk is, voor een wit persoon mogelijk is, om echt de vernedering in je lichaam te voelen op dat moment.
R: Ik denk ook dat dat niet kan, een wit persoon kan dat niet zo voelen. Hetzelfde geldt voor mij ook voor wat een vrouw in een bepaalde situatie voelt. Ik zie de dingen dus vanuit mijn perspectief. Dat is misschien een tekortkoming in het boek. Maar het is ook de kracht van de boeken en de schilderijen omdat ik nooit aan een ander persoon denk als ik schrijf of schilder. Ik werk nooit naar publicatie of een publiek toe. Als ik schilder ga ik ervan uit dat nooit iemand dat schilderij zal zien, dan maak je volgens mij de beste schilderijen. Omdat je dan geen concessies doet aan een publiek, of de buitenwereld of aan galeries of aan uitgevers of aan boekenwinkels, aan niemand. Bealach na Ba heeft bijvoorbeeld een cover zonder tekst, het is een schilderij van mij, een van de fietsers op de rug gezien. Boekverkopers zeggen dan ‘hee, waarom zet je niet je naam en de titel op de omslag?’ Omdat ik dat niet wil. En dan zeggen ze ‘dat mag eigenlijk niet’. En een uitgever zou dat ook nooit zo doen.
C: Maar dan zouden ze ook het schilderij op zich niet waarderen. Want tekst over een schilderij zou afbreuk doen aan het schilderij.
R: Ja, daar houden grafische vormgevers van. De werken kapot maken ten faveure van tekst. Omdat het hen om de titel en zo gaat, die moet overgebracht worden. Dus dat is voor mij de reden, en nu zijn we weer bij het begin van dit interview, om zelf de boeken te publiceren, zelf een kleine uitgeverij te starten. Ik zie een boek schrijven en laten drukken als het maken van een schilderij. Maar alle extra dingen die je daarna moet doen, zoals de PR, de distributie, zorgen dat het boek überhaupt wordt verkocht en gelezen, moet je als zelfstandige uitgever ook zelf doen. En als je een kunstenaar en/of een schrijver bent zijn dat nou juist de dingen die je niet wil doen omdat je doel is het boek te schrijven of het schilderij te maken. Daar komen dan natuurlijk uitgevers bij kijken of galeries. Maar als je het volledig zonder hen wil doen dan moet je andere wegen vinden. En die zijn moeilijker begaanbaar. Want je zult dan bijvoorbeeld naar Antwerpen moeten reizen om je boek te laten zien…
C: Om het te pitchen…
R: Ja. Dat is wat normaalgesproken agenten en vertegenwoordigers doen. Je moet ook persberichten schrijven. Aandacht van de pers krijgen, een recensie wellicht. Dat lijkt alleen aan schrijvers, en dat zijn vaak niet eens goeie schrijvers, voorbehouden die bij gevestigde uitgeverijen als Van Oorschot of De Bezige Bij zitten. Die uitgeverijen hebben hele PR-machine, waar de pers gretig op ingaat.
C: We hadden over je gezin wel of niet blootstellen aan de buitenwereld. Heb je het gevoel dat je jezelf ooit helemaal hebt blootgegeven of hebt geopenbaard? Je hebt dat zeker gedaan als het over de details van het dagelijkse leven gaat, maar zijn er niet meerdere lagen?
R: Ja, dat is een diepe vraag. Ik denk dat wanneer je alles bij elkaar ziet [gebaart naar de werken om zich heen in het atelier], dan zie je mij. Als dat niet zo zou zijn dan zou ik niet blij zijn. Ik probeer oprecht en zo eerlijk mogelijk te zijn, zowel in het schrijven als in het schilderen. Maar eigenlijk in het schilderen… Ik weet het niet, in het schilderen overheerst misschien het romantische idee, als ik een wielrenner schilder of mezelf op de rug gezien starend naar een berglandschap dan ben ik het niet. Het is het beeld van mezelf dat ik graag wil zien. Misschien is dat in het schrijven soms ook het geval. Dus als je het hebt over jezelf volledig blootgeven, nee. Misschien wel in die werken… [wijst naar een serie kleine tekstschilderijen boven zijn werktafel]
C: Zou je het wel willen uiteindelijk?
R: Ik weet het niet… Die vragen, ik begon met die vragen van Wat Denk Je Als Je Duits Spreekt/ Do You Like to Talk Turkey, dat was een soort van mezelf blootgeven, omdat het hele persoonlijke vragen waren. Ik ben er later mee doorgegaan, maar ik wil niet dat iemand ze ooit gaat lezen. Mocht het wel ooit tot een publicatie komen dan zou dat echt… Ik zal dat nooit doen, denk ik. Misschien wel. Want dat zou het allereerlijkste zijn dat je kunt doen als het op schrijven aankomt. Maar dan, waarom? Ik ben geen beroemd persoon, ik word er niet rijk van en ik zet alles op het spel als ik die vragen ga publiceren…
C: Wat bedoel je met alles?
R: Nee, het is echt een persoonlijk dagboek. Jij zou dat ook niet willen publiceren, of wel? Nee, dat zou je niet gepubliceerd willen zien. Nee. Dat zijn alle vragen die ik mezelf stel. En af en toe heb ik ze opgeschreven.
C: Wanneer begon je ermee?
R: Een paar jaar geleden, misschien al langer. Ik ben er nu een tijdje mee gestopt. Alle vragen staan in notitieboekjes. Het is een hele stapel… Kan ze misschien verbranden.
C: Als je dood bent…
R: Maar als dat gepubliceerd zou worden, dan zou alles over mij geopenbaard worden…
C: Misschien is het interessant voor jezelf om ze terug te lezen?
R: Ja, ik heb ze niet eens teruggelezen. Ik had het er onlangs met Jacco over [Jacco Olivier, Raymond leerde hem kennen op de Rijksakademie]. Of ik ze ooit moest publiceren of niet. Hij zei ‘ja, waarom niet. We weten allemaal dat het het eerlijkste is waar het allemaal om draait’.
C: Hij wilde dat je de boel zou opblazen?
R: Ja, nee, niet zo. Nee, ik geef mezelf… Ik geef een beeld van mezelf bloot dat ik van mezelf wil blootgeven, een beeld dat ik graag wil zien. En misschien is dat… Weet je, die abstracte werken [wijst naar doeken, een soort assemblages met tekst en mixed media]… Die zou ik niet graag willen tentoonstellen omdat ze het dichtst bij de brief aan Gabriel komen. Soms komen mensen in het atelier, een galeriehouder of zo, ‘ja die is erg mooi’. En ik ‘maar deze zal ik nooit tentoonstellen’. Het zijn een soort van brieven en ze geven niet alles bloot maar ze komen het dichtst bij het hele persoonlijke. En ja, misschien is het schilderen van al die wielrenners een dekmantel voor het echte persoonlijke werk. Want als ik aan fietsen denk, denk ik aan de parallelle wereld waar alles perfect is, een wereld die ik graag wil zien.
foto Cole verhoeven
Maak jouw eigen website met JouwWeb